Functie: Kantoor
De kantoorvilla is gebouwd in 1949 in opdracht van de N.V.
Polynorm, naar een ontwerp van architect J.H. (Joop) Oosterhuis in
een modernistische bouwstijl. De flat verrees op de ruïne van een
villa, die in 1943 was afgebrand. Polynorm wilde op de kavel een
kantoor bouwen, maar kreeg geen toestemming van de afdeling
Stadsontwikkeling, omdat de Berg werd beschouwd als 'uitgesproken
woonwijk'. Als compromis verleende de gemeente een bouwvergunning
voor een woonflat met vijf woningen. Vervolgens kreeg Polynorm
toestemming de woonflat maximaal vijf jaar te gebruiken als
kantoorgebouw. De verbouwing van het pand (de restanten van de
vooroorlogse villa dienden als fundering) moest 'architectonisch
goed verzorgd' zijn.
Omdat Oosterhuis zijn ontwerp moest bouwen op de restanten van de
vooroorlogse villa, 'kreeg hij niet de kans de bouwmassa de
slankheid te geven, die hij bij een vrije architectuur altijd
nastreeft', aldus de architect in zijn artikel in het Bouwkundig
Weekblad van 1950. Om ruimte te winnen in het gebouw, plaatste hij
het trappenhuis voor een groot deel buiten het bouwvolume van de
villa.
Op iedere bouwlaag ontwierp Oosterhuis één woning. In de aanbouw
projecteerde hij de conciërgewoning. Die laatste is de enige woning
die ook als zodanig in het uiteindelijke ontwerp terecht kwam. De
rest van de plattegronden werd omgezet naar een kantoorplattegrond.
Ook na de eerste vijf jaar bleef het pand in gebruik als
kantoor.
Situering
De kantoorflat is gebouwd op de hoek van Bilderdijklaan en de
Huijgenslaan op een iets hellend perceel in de vooroorlogse
villawijk De Berg. Deze wijk is ontwikkeld op basis van schetsen en
ontwerpen uit 1899 en 1920. In de vroeg naoorlogse periode werden
vrije kavels opgedeeld en/of ontwikkeld. De kantoorflat nam de
plaats in van een afgebrande vooroorlogse villa. Noordwestelijk van
de kantoorflat staat in de tuin nog een oorspronkelijk
schuurtje.
Exterieur
De kantoorflat is over vier bouwlagen opgetrokken op de
rechthoekige plattegrond van de vooroorlogse villa, onder een plat
ver overstekend dak, met een subtiele concave curve aan de
voorzijde (zuidoost). Op de noordwestelijke hoek van het huis
bevindt zich een aanbouw over één bouwlaag onder een plat dak (de
oorspronkelijke conciërgewoning).
Om de verschillen tussen de stenen van de vooroorlogse ruïne en de
naoorlogse 'verbouwing' te camoufleren zijn de gevels gepleisterd,
met uitzondering van het trasraam en het fries, die zijn gemetseld.
Het trasraam is opgetrokken in rode baksteen in kruisverband onder
een rollaag. In het fries zijn de geelgrijze hardgrauwe gevelstenen
boven een bakstenen waterdorpel verticaal en recht boven elkaar
geplaatst in een sierverband. Verder wordt het pand getypeerd door
de stalen kozijnen, de stalen balkons met de bijbehorende stalen
kolommen, de uitbouw van het halfronde glazen trappenhuis en het
glazen ingangsportiek. De vensters hebben stalen kozijnen en geel
gebakken tegels op de waterdorpels. Ze zijn als losse elementen in
strakke ritmes in de gevels geplaatst, behalve in de zuidoostelijke
voorgevel, waarin de moderne veranda, balkons en bijbehorende puien
in één groot gebaar zijn ontworpen.
De zuidoostelijke gevel springt het meest in het oog, dankzij de
ligging op de hoek en het vrije zicht (de andere gevels worden door
begroeiing meer aan het zicht onttrokken). Oosterhuis beschouwde
deze gevel zelf als voorgevel. De gevel is geleed door een brede
links en een smalle vensteras rechts. De brede vensteras wordt op
de eerste en tweede verdieping gevormd door brede samengestelde
puien met openslaande deuren, die uitkomen op twee balkons, op
stalen kolommen. Op de begane grond is daardoor een moderne variant
op de veranda ontstaan. Op de derde verdieping is de vensteras
doorgezet in een even breed samengesteld venster, waaromheen het
pleisterwerk als omlijsting het siermetselwerk onderbreekt. In de
puien en het venster zijn twee smalle ruiten van zwart marmerglas
geplaatst, waarachter oorspronkelijk losse stalen kolommen stonden
en nu binnenwanden. De balkons hebben een betonnen vloer en een
stalen borstwering met een houten leuning, die is gevuld met
draadglas. Op het terras onder het balkon ligt een vloer met
donkergeel gebakken tegels en een rand van schildpadtegels.
De noordwestelijke gevel wordt gedomineerd door de glazen uitbouwen
van het aan elkaar gekoppelde ingangsportiek en trappenhuis. Links
daarvan is de gevel blind, rechts daarvan zijn er twee smallere
vensterassen. Op de rechterhoek bevindt zich de uitbouw van de
oorspronkelijke conciërgewoning. Het ingangsportiek is verbonden
met de kantoorflat door twee kleine gemetselde en gepleisterde
borstweringen met gemetselde waterdorpels, die aansluiten op de
metselwerk omlijsting in de gevel. Verder bestaat de uitbouw uit
stalen kozijnen met grote ruiten en een openslaande glasdeur, onder
een getoogd betonnen dak, dat aanvankelijk een koperen dakbedekking
had, dat nu met bitumen lijkt te zijn afgedekt. De gebogen lijn van
het dakje loopt door in de onderzijde van de verder zwevende
uitbouw van het trappenhuis. De uitbouw van het trappenhuis is
vijfhoekig en bestaat eveneens uit stalen kozijnen met glas, onder
een flauw hellend betonnen tentdak, met koperen afdekking. Aan
weerszijden van het trappenhuis steekt de gevel iets naar binnen en
is afgewerkt met een strook metselwerk. Rechts van het trappenhuis
bevinden zich lichtsleuven en kleine vensters, die op de eerste en
tweede verdieping door metselwerk met elkaar zijn verbonden. Zowel
deze vensters als die in de iets bredere vensteras rechts daarvan
verspringen iets ten opzicht van de begane grond. De begane grond
is verder iets onrustiger in opbouw door de ingang naar de kelder,
elektriciteitskast en voormalige brievenbus.
De noordoostelijke zijgevel aan de Bilderdijklaan is geleed door
vier rijen met drie vensters. Op de verdiepingen zijn de linker
vensters op de verdieping uitgevoerd als Franse balkons, die
tegelijkertijd toegang bieden tot de noodtrap.
De zuidwestelijke zijgevel is vrijwel onzichtbaar. Vanwege het
zonnige karakter heeft deze gevel op iedere verdieping een groot,
breed venster, met links daarvan nog een kleiner raam. Op de linker
hoek bevindt zich op de begane grond de uitbouw van de
conciërgewoning.
De conciërgewoning lijkt later aan het hoofdvolume te zijn vast
gebouwd, maar maakte direct al deel uit van het ontwerp (en de
oorspronkelijke plattegrond van het vooroorlogse afgebrande huis).
De uitbouw heeft zelf ook weer een uitbouw, verschillende
toegangsdeuren en een grote variatie in venstervormen en
-indelingen.
Het schuurtje is een klein rechthoekig gebouwtje onder een
overstekend plat dak met in de zuidoostgevel een houten
toegangsdeur en in de noordoostgevel een samengesteld venster. De
gevelafwerking is identiek aan die van de kantoorflat.
Interieur
Centraal in het huis bevindt zich de hal die toegang biedt tot alle
kantoorruimten en het trappenhuis, dat zich bevindt aan de
noordwestkant. De trap in het trappenhuis is door Polynorm zelf
geconstrueerd en bestaat uit 'een stalen buis met daaraan
uitgekraagde stalen treden, waarop 3 cm lichte beton is
aangebracht, dat beplakt is met marmoleum, aan de welzijde
opgesloten met een roestvrijstalen strip. De buitenzijde van de
treden werd verbonden door een spiraalvormige gebogen stalen band,
waaraan de stijlen van de glazen trappenhuiswand werden bevestigd'
(Bouwkundig Weekblad 1950). De roestvrijstalen strips op het
marmoleum zijn vervangen door rubber strips, maar verder is de trap
nog geheel oorspronkelijk, inclusief de gebogen houten trapleuning,
die boven eindigt bij een stalen traphekje.
Op de begane grond bevinden zich in de entree nog travertin
borstweringen en enkele traptreden het pand in. De indeling van het
pand is op onderdelen aangepast. De betonemaille lambriseringen in
de hallen en het trappenhuis zijn inmiddels relatief zeldzaam. De
binnenkozijnen, de deuren en het hang en sluitwerk zijn voor een
groot deel nog in tact, maar weinig bijzonder.
Waardering
De kantoorflat is cultuurhistorisch en stedenbouwkundig historisch
van belang als onderdeel van het Beschermd Stadsgezicht van
Villawijk de Berg.
De kantoorflat ontleent zijn architectuurhistorische waarde aan de
typerende verfijnde, ranke modernistische vormgeving van Ir. J.H.
Oosterhuis, wat zich vooral uit in de strakke hoofdvorm, de
gevelindeling, de stalen kolommen, balkons en kozijnen, de stalen
trap, de uitbouw met het transparante trappenhuis en
ingangsportiek.
Het exterieur van het pand is buitengewoon oorspronkelijk en gaaf.
Van het interieur is vooral het trappenhuis erg oorspronkelijk.
Bron:Bureau Monumentenzorg, gemeente Amersfoort, nr. 9120091