terug

Kroonluchter

Kroonluchter
routeroute

There are worse things you could be accused of than of being a flower, Kunstenaar: Kathrin Schlegel

Jaar: 2010
Materiaal: Brons
Locatie: onder de spoorbrug Smallebrug, verbinding tussen Kleine Spui en Kleine Koppel

Kunstwerk i.h.k.v. het door Giny Vos opgestelde kunstenplan 'Scaleshapes' voor het Eemkwartier. Kunstenaar Kathrin Schlegel heeft gekozen voor een locatie onder de spoorbrug, waar niet alleen het water De Eem, maar ook een voet- en fietspad onder door gaat. Deze locatie is de overgang tussen de 'oude' stad (binnenstad) en de 'nieuwe' stad (Eemkwartier). Met het klassieke thema van Narcissus is gebruik gemaakt van een scala aan kunsthistorische verwijzingen en citaten. Een Venetiaanse pronkkroonluchter naar 18e eeuws model vervaardigd. In afwijking van de traditie, waarin dergelijke kroonluchters vaak rozen dragen, draagt deze kroonluchter narcissen die, nèt over het hoogtepunt van hun bloei, op zichzelf verliefd in het water gluren. De kroonluchter, ontdaan van zijn functie, is een ode aan de vergankelijkheid, aan het ambacht en aan de ijdelheid van de kunst. De verfijning en glans vormen een bewust contrast met de ruwheid van het betonnen viaduct.

Het verhaal van Adriënne Nijssen in de literaire wandeling is:

'De verdwenen lichtjes
 
Er was eens een man die een wereldrestaurant wilde. Hij vond zijn sprookjeskasteel nabij de historische stadspoort van Amersfoort en noemde zijn restaurant Dara; een woord met vele betekenissen. In het Turks 'iedereen', in het Perzisch 'rijk. Maar hij koos de naam vooral vanwege de Indonesische betekenis, 'jonge vrouw' of 'maagd'. Hij had namelijk een jonger zusje dat onuitsprekelijk mooi was. Hij hield zoveel van haar dat hij bang was haar kwijt te raken. Daarom wilde hij dat geen mens haar zag en niemand haar kende. Hij hield haar opgesloten in de kelders van zijn restaurant.
 
Dag en nacht hoorde Kartika in de kelder de echo van ijzeren wielen in het water. Ze deden haar verlangen naar buiten. Ze begon zich te vervelen in die donkere kelder, ze wilde niet langer stilzitten. Toen haar broer de eerstvolgende keer de resten van een overvloedige maaltijd op kwam halen hield ze dan ook stiekem de lepel achter. Daarmee begon ze een gang te graven in de richting van het geluid.
Toen zij maanden later op een avond laat eindelijk de koele buitenlucht voelde, zag zij niets anders dan een kroonluchter die aan wat planken boven het water hing.
Omdat ze verder niemand zag, sprak ze zachtjes tot de luchter:
'Gouden luchter, ach, zeg me toch,
Slaapt mijn broer of waakt hij nog?'
En de luchter antwoordde:
'Mooi meisje, kom maar naar buiten,
hij slaapt nog niet maar telt zijn duiten.'
Kartika kon bijna geen hand voor ogen zien. Omdat de luchter begreep dat zij haar omgeving wilde verkennen, gaf hij haar een van zijn lampjes mee. Hij had er immers meer dan genoeg.
Kartika kon haar geluk niet op. Blij holde ze langs de kade, voelde de wind langs haar wangen en door haar haren. Tot plotsklaps haar lampje uitging en zij in het donker de weg naar de kelder terug moest vinden. Ofschoon ze niet wist of ze wel van haar broer hield, kwam weglopen niet in haar op.
Voor ze naar binnen ging, bedankte ze de luchter en vroeg hem of ze nog eens terug mocht komen. Hij knikte en zijn lampjes die met hem meedeinden, wierpen een vrolijk schijnsel over het water.
Al de volgende avond stond Kartika weer aan het water en riep zachtjes:
'Gouden luchter, ach, zeg me toch,
Slaapt mijn broer of waakt hij nog?'
En de luchter antwoordde:
'Mooi meisje, kom maar naar buiten,
hij slaapt nog niet maar drinkt met zijn kornuiten.'
Ook dit keer kreeg Kartika een lampje mee. Snel liep ze langs de kade om haar verkenningstocht van de avond ervoor af te maken. Ze kwam echter niet ver. Op een zwarte bank die leek op een larf, zat een jongen die haar staande hield.
'Mooi meisje, wie ben je, met jouw lieve lach?
Hoe komt het dat ik je niet eerder zag?"
Kartika ging naast de jongen zitten, het paste maar net. Ze antwoordde:
'Ach lieve jongen, wees toch stil en content,
en geniet de vreugde van dit moment!'
Ze sloegen hun armen om elkaar heen en genoten van elkaars warmte en aanwezigheid. Woorden waren overbodig. Plots sprong Kartika op. Haar lampje was uitgegaan, ze moest nodig terug. Ze wierp de jongen op de bank een kushand toe en verdween. Het ging zo snel dat hij verdwaasd achterbleef. Hij nam zich voor de volgende avond weer op het mooie meisje te wachten.

Hij werd niet teleurgesteld. Ze kwam, ook ditmaal met een lampje in haar hand. Voor het lampje dooft, wil ik haar naam weten, zo nam hij zich voor. Maar zelfs na dertig nachtelijke ontmoetingen wist hij nog steeds niet wie ze was.
En zij? Ze had nooit naar zijn naam gevraagd. Overdag doolde hij door de stad, nooit zag hij haar. Hij begon zich zorgen te maken.
En hij was niet de enige, ook de kroonluchter voelde wat paniek ontstaan. Eenendertig avonden lang had het mooie meisje hem dezelfde vraag gesteld, en evenzoveel avonden had hij geantwoord dat ze veilig naar buiten kon komen. Haar broer sliep nooit, maar hij gaf elke avond een antwoord dat haar gerust stelde. Tot nu toe was dat goed gegaan. Maar zo langzamerhand had hij de helft van zijn lampjes aan het mooie meisje gegeven, om de simpele reden dat hij haar niets weigeren kon. Hij begon zich af te vragen hoe het verder moest.
Ook de volgende weken lukte het hem niet om het mooie meisje te zeggen dat haar broer wakker was, waardoor ze terug zou gaan en hij de schamele rest van zijn lampjes kon sparen.

Al snel kwam de dag dat hij nog maar één lampje over had. Toen het mooie meisje die avond haar bekende vraag stelde antwoordde hij dan ook:
'Mooi meisje, blijf maar liever binnen,
hij ontdekte uw geheim en is buiten zinnen.'
Maar zij smeekte hem:
'Gouden luchter, ach, geef me toch,
snel één lampje, dan haal ik het nog.'
De kroonluchter, ach wat had hij het moeilijk. Hij kon eenvoudigweg geen nee tegen haar zeggen en gaf haar zijn laatste lampje. Terwijl hij wist dat hij voortaan zo goed als nutteloos onder de brug zou hangen. Slechts het water kon hem helpen door zijn lege kandelaars te weerkaatsen en alsnog te laten schitteren.

Kartika rende naar de bank en trof daar de jongen aan wie ze haar hart had verloren.
'Kom lieve jongen, neem me nog vanavond met je mee,
waarheen maakt niet uit, maar het liefst dichtbij zee!'

En zo geschiedde. Na deze nacht kwam Kartika nooit meer terug. Vergeefs wachtte de luchter nacht na nacht op haar, ze was verdwenen. En met haar, ook zijn aanzien in de stad. Want wat is een luchter zonder lampjes? Mensen praatten en kranten schreven denigrerend over hem.
En niet alleen hem verging het slecht. Ook haar broer en ons! We bleven allemaal met lege handen achter.
Er wordt gefluisterd dat er sinds die dag in Zeeuws Vlaanderen een jong echtpaar is neergestreken in Nummer Een, een gehuchtje aan de kust.
Een klein boerderijtje, wat schapen, en elke dag het eindeloze gezang van de zee. Als je goed kijkt heeft zij wel wat weg van Kartika. Helemaal zeker zullen we het nooit weten. Want bij navraag bleek ze Liesje te heten.'

Info ReactiesAfbeeldingen Streetview