<

Wandelroute: Hoogtepunten

route

In de binnenstad van Amersfoort staan veel historische gebouwen. In deze stadswandeling loopt u langs een aantal hoogtepunten.

1. Eemhuis

Eemhuis

Het Eemhuis is in 2014 opgeleverd. In dit mooie pand, ontworpen door architectenduo Neutelings & Riedijk, zitten Archief Eemland, Kunsthal KAdE, Scholen in de kunst en Bibliotheken Eemland. Het omliggende Eemplein is het nieuwe culturele stadshart van Amersfoort.

2. De Sassiaan

De Sassiaan

Kunstenaar: Marianne Houtkamp

Jaar: 2004
Materiaal: Brons
Locatie: Zandfoort aan de Eem (Koppel)

Dit beeld herinnert aan voormalig wijkje 't Sasje, dat tussen de binnenstad en de Isselt lag. Inwoners van deze wijk, de Sassianen, deden zwaar werk, veelal in de Eemhaven. De laatste huizen van 't Sasje zijn in 1998 gesloopt om plaats te maken voor het Eemcentrum. De Sassianen wonen nu verspreid over de stad. Dit beeld aan de kade herinnert aan de hardwerkende Sassianen.

3. Kroonluchter

Kroonluchter

Jaar: 2010
Materiaal: Brons
Locatie: onder de spoorbrug Smallebrug, verbinding tussen Kleine Spui en Kleine Koppel

Kunstwerk i.h.k.v. het door Giny Vos opgestelde kunstenplan 'Scaleshapes' voor het Eemkwartier. Kunstenaar Kathrin Schlegel heeft gekozen voor een locatie onder de spoorbrug, waar niet alleen het water De Eem, maar ook een voet- en fietspad onder door gaat. Deze locatie is de overgang tussen de 'oude' stad (binnenstad) en de 'nieuwe' stad (Eemkwartier). Met het klassieke thema van Narcissus is gebruik gemaakt van een scala aan kunsthistorische verwijzingen en citaten. Een Venetiaanse pronkkroonluchter naar 18e eeuws model vervaardigd. In afwijking van de traditie, waarin dergelijke kroonluchters vaak rozen dragen, draagt deze kroonluchter narcissen die, nèt over het hoogtepunt van hun bloei, op zichzelf verliefd in het water gluren. De kroonluchter, ontdaan van zijn functie, is een ode aan de vergankelijkheid, aan het ambacht en aan de ijdelheid van de kunst. De verfijning en glans vormen een bewust contrast met de ruwheid van het betonnen viaduct.

Het verhaal van Adriënne Nijssen in de literaire wandeling is:

'De verdwenen lichtjes
 
Er was eens een man die een wereldrestaurant wilde. Hij vond zijn sprookjeskasteel nabij de historische stadspoort van Amersfoort en noemde zijn restaurant Dara; een woord met vele betekenissen. In het Turks 'iedereen', in het Perzisch 'rijk. Maar hij koos de naam vooral vanwege de Indonesische betekenis, 'jonge vrouw' of 'maagd'. Hij had namelijk een jonger zusje dat onuitsprekelijk mooi was. Hij hield zoveel van haar dat hij bang was haar kwijt te raken. Daarom wilde hij dat geen mens haar zag en niemand haar kende. Hij hield haar opgesloten in de kelders van zijn restaurant.
 
Dag en nacht hoorde Kartika in de kelder de echo van ijzeren wielen in het water. Ze deden haar verlangen naar buiten. Ze begon zich te vervelen in die donkere kelder, ze wilde niet langer stilzitten. Toen haar broer de eerstvolgende keer de resten van een overvloedige maaltijd op kwam halen hield ze dan ook stiekem de lepel achter. Daarmee begon ze een gang te graven in de richting van het geluid.
Toen zij maanden later op een avond laat eindelijk de koele buitenlucht voelde, zag zij niets anders dan een kroonluchter die aan wat planken boven het water hing.
Omdat ze verder niemand zag, sprak ze zachtjes tot de luchter:
'Gouden luchter, ach, zeg me toch,
Slaapt mijn broer of waakt hij nog?'
En de luchter antwoordde:
'Mooi meisje, kom maar naar buiten,
hij slaapt nog niet maar telt zijn duiten.'
Kartika kon bijna geen hand voor ogen zien. Omdat de luchter begreep dat zij haar omgeving wilde verkennen, gaf hij haar een van zijn lampjes mee. Hij had er immers meer dan genoeg.
Kartika kon haar geluk niet op. Blij holde ze langs de kade, voelde de wind langs haar wangen en door haar haren. Tot plotsklaps haar lampje uitging en zij in het donker de weg naar de kelder terug moest vinden. Ofschoon ze niet wist of ze wel van haar broer hield, kwam weglopen niet in haar op.
Voor ze naar binnen ging, bedankte ze de luchter en vroeg hem of ze nog eens terug mocht komen. Hij knikte en zijn lampjes die met hem meedeinden, wierpen een vrolijk schijnsel over het water.
Al de volgende avond stond Kartika weer aan het water en riep zachtjes:
'Gouden luchter, ach, zeg me toch,
Slaapt mijn broer of waakt hij nog?'
En de luchter antwoordde:
'Mooi meisje, kom maar naar buiten,
hij slaapt nog niet maar drinkt met zijn kornuiten.'
Ook dit keer kreeg Kartika een lampje mee. Snel liep ze langs de kade om haar verkenningstocht van de avond ervoor af te maken. Ze kwam echter niet ver. Op een zwarte bank die leek op een larf, zat een jongen die haar staande hield.
'Mooi meisje, wie ben je, met jouw lieve lach?
Hoe komt het dat ik je niet eerder zag?"
Kartika ging naast de jongen zitten, het paste maar net. Ze antwoordde:
'Ach lieve jongen, wees toch stil en content,
en geniet de vreugde van dit moment!'
Ze sloegen hun armen om elkaar heen en genoten van elkaars warmte en aanwezigheid. Woorden waren overbodig. Plots sprong Kartika op. Haar lampje was uitgegaan, ze moest nodig terug. Ze wierp de jongen op de bank een kushand toe en verdween. Het ging zo snel dat hij verdwaasd achterbleef. Hij nam zich voor de volgende avond weer op het mooie meisje te wachten.

Hij werd niet teleurgesteld. Ze kwam, ook ditmaal met een lampje in haar hand. Voor het lampje dooft, wil ik haar naam weten, zo nam hij zich voor. Maar zelfs na dertig nachtelijke ontmoetingen wist hij nog steeds niet wie ze was.
En zij? Ze had nooit naar zijn naam gevraagd. Overdag doolde hij door de stad, nooit zag hij haar. Hij begon zich zorgen te maken.
En hij was niet de enige, ook de kroonluchter voelde wat paniek ontstaan. Eenendertig avonden lang had het mooie meisje hem dezelfde vraag gesteld, en evenzoveel avonden had hij geantwoord dat ze veilig naar buiten kon komen. Haar broer sliep nooit, maar hij gaf elke avond een antwoord dat haar gerust stelde. Tot nu toe was dat goed gegaan. Maar zo langzamerhand had hij de helft van zijn lampjes aan het mooie meisje gegeven, om de simpele reden dat hij haar niets weigeren kon. Hij begon zich af te vragen hoe het verder moest.
Ook de volgende weken lukte het hem niet om het mooie meisje te zeggen dat haar broer wakker was, waardoor ze terug zou gaan en hij de schamele rest van zijn lampjes kon sparen.

Al snel kwam de dag dat hij nog maar één lampje over had. Toen het mooie meisje die avond haar bekende vraag stelde antwoordde hij dan ook:
'Mooi meisje, blijf maar liever binnen,
hij ontdekte uw geheim en is buiten zinnen.'
Maar zij smeekte hem:
'Gouden luchter, ach, geef me toch,
snel één lampje, dan haal ik het nog.'
De kroonluchter, ach wat had hij het moeilijk. Hij kon eenvoudigweg geen nee tegen haar zeggen en gaf haar zijn laatste lampje. Terwijl hij wist dat hij voortaan zo goed als nutteloos onder de brug zou hangen. Slechts het water kon hem helpen door zijn lege kandelaars te weerkaatsen en alsnog te laten schitteren.

Kartika rende naar de bank en trof daar de jongen aan wie ze haar hart had verloren.
'Kom lieve jongen, neem me nog vanavond met je mee,
waarheen maakt niet uit, maar het liefst dichtbij zee!'

En zo geschiedde. Na deze nacht kwam Kartika nooit meer terug. Vergeefs wachtte de luchter nacht na nacht op haar, ze was verdwenen. En met haar, ook zijn aanzien in de stad. Want wat is een luchter zonder lampjes? Mensen praatten en kranten schreven denigrerend over hem.
En niet alleen hem verging het slecht. Ook haar broer en ons! We bleven allemaal met lege handen achter.
Er wordt gefluisterd dat er sinds die dag in Zeeuws Vlaanderen een jong echtpaar is neergestreken in Nummer Een, een gehuchtje aan de kust.
Een klein boerderijtje, wat schapen, en elke dag het eindeloze gezang van de zee. Als je goed kijkt heeft zij wel wat weg van Kartika. Helemaal zeker zullen we het nooit weten. Want bij navraag bleek ze Liesje te heten.'

4. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Cultureel erfgoed is kwetsbaar. Goede zorg ontstaat niet vanzelf. Zeker niet als terreinen op de schop gaan, wanneer historische gebouwen een nieuwe functie krijgen of bij opslag van kunstobjecten. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed onderzoekt welke aspecten van het erfgoed het beste zijn om te bewaren. En hoe die cultuurhistorische waarden het beste onderhouden kunnen worden. Op basis van dat onderzoek adviseert de dienst anderen over het behoud van de waardevolle elementen. En denkt mee bij het ontwikkelen van plannen.

De Rijksdienst is onderdeel van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en treedt op namens de minister. De dienst voert de Monumentenwet uit en verleent subsidies op het gebied van onroerend en roerend erfgoed. Waar dit erfgoed bedreigd wordt, onderneemt de dienst actie. Bovendien beheert de Rijksdienst het Monumentenregister, het depot met de kunstcollectie van het Rijk, het Nationaal Depot voor Scheepsarcheologie en Archis, het centrale archeologische informatiesysteem. Als rijksoverheid bieden we het overzicht van de cultuurhistorische waarden in ons gehele land. Van het eerste begin, 350.000 jaar geleden, tot en met de huidige tijd.

Sinds mei 2009 kunt u de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bezoeken in een nieuw, transparant gebouw in Amersfoort. De rijksoverheid heeft met deze spraakmakende behuizing een voorbeeldfunctie vervuld als opdrachtgever in de vormgeving van Nederland. Het eigentijdse gebouw is ontworpen door de Spaanse architect Juan Navarro Baldeweg. Hij liet zich inspireren door schilderijen van Hollandse zeventiende-eeuwse meesters. De schuine glasgevel weerspiegelt de helderheid en de schaduwpartijen van de Nederlandse wolkenluchten van Jacob van Ruisdael. En binnen waan je je in een licht kerkinterieur van Pieter Saenredam. Bovendien is die reusachtige voorgevel met zijn spanten gebaseerd op de sporenkappen zoals je die in historisch Nederland vindt.

De bezoeker vindt hier een auditorium, een unieke erfgoedbibliotheek, het monumentenarchief en rijke collecties foto's en tekeningen. De helling en de knikken geven de glasgevel de vorm van een omwalling, die net buiten de oude vesting Amersfoort ligt. Op deze plek zijn sporen van een twaalfde-eeuwse boerderij aangetroffen. Uit de koekjesfabriek die hier van 1942 tot 1992 stond, is een glas-in-loodraam gered. Het heeft nu een toepasselijke plaats in het restaurant.

5. Koppelpoort

Koppelpoort

De Koppelpoort, onderdeel van de tweede stadsmuur (1380-1451), kwam gereed in 1427. Het is een gecombineerde land- en waterpoort, waar het water vanuit de stad in de Eem stroomt.

De Koppelpoort werd tijdens de belegering van 1427 voor het eerst aangevallen. Amersfoortse vrouwen wierpen kokend bier vanaf de muren naar beneden en de aanval werd afgeslagen. Voor de hoofdpoort lag tussen 1645 en 1778 een voorpoort, die mogelijk het ontwerp was van de Amersfoortse bouwmeester Jacob van Campen. Aan de binnenzijde van de poort zetelde in ruimtes onder de dichtgebouwde bogen onder andere het Zakkendragersgilde. Toen omstreeks 1840 alle verdedigingswerken werden afgebroken, dreigde ook de Koppelpoort te verdwijnen. Maar de poort bleef gespaard en werd in 1886 gerestaureerd. Ruim honderd jaar later, 1996-1998, is de poort opnieuw gerestaureerd, waarbij bijzondere muurplanten zijn behouden. Hiermee won Amersfoort de Europa Nostra Award, een belangrijke restauratieprijs. 

6. De Drie Ringen

De Drie Ringen

Aan het Kleine Spui hebben van oudsher bierbrouwerijen gezeten. In de kelders van nummer 4 was van 1581 tot 1758 de brouwerij van het Sint Pietersgasthuis gevestigd. Er werd zoveel bier gedronken, dat een eigen brouwerij rendabel was.

In 1891 was het pand van de bottelarij van Phoenix-bier van Geurt Geurtsen. Hij verzorgde de distributie in heel Amersfoort. Geurtsen zat er maar kort: hij verhuisde naar nummer 10-14 en bleef daar tot 1961. In 1989 richtte J. Korthals Altes, ex-directeur Phoenix Brouwerij, een kleine ambachtelijke brouwerij De Drie Ringen op aan Kleine Spui 18. Dit is nu de enige bierbrouwerij in Amersfoort. De naam komt van brouwerij De Drie Ringen die tot 1706 aan de Kortegracht 15-17 gevestigd was. De gevelsteen van de Kortegracht, met drie ringen, is nu ingemetseld in een gevel aan de Drieringensteeg.



7. Volmolen

Volmolen

De volmolen werd gebouwd in 1645 om stoffen te 'vollen': de geweven wollen stof werd met zand, kokend water en urine gekneed tot waterafstotend laken, een stof met een meer dichte structuur dan wol. Voorheen gebeurde dit door voetvollers, die in een kuip urenlang met blote voeten op het natte laken moesten stampen. De volmolen verving dit arbeidsintensieve proces: aangedreven door het water van de Beek werd het laken nu met houten stampers machinaal bewerkt. De molen naast de Koppelpoort heeft echter niet lang dienst gedaan. Omstreeks 1700 werd de productie van laken in de stad te duur en de nijverheid verhuisde naar het goedkopere platteland. Het gebouw bleef wel bestaan en werd tot 1951 gebruikt als kolenopslagplaats.

8. Stoneystuw

Stoneystuw

De stuw van het type Stoney, naast de Volmolen en de Koppelpoort, dateert uit 1910 en regelt de toevoer van water van de Oostbuitensingel naar de Eem. Voor veel bewoners en bezoekers vormt dit rijksmonument de entree tot de historische binnenstad en ook voor reizigers die Amersfoort per trein passeren is de stuw zichtbaar.

Eind jaren tachtig verdwenen enkele karakteristieke onderdelen van de stuw. Het ging hierbij om onder meer de as met raderen en tandwielen aan de bovenzijde en het contragewicht.

In 2011 is de Stoneystuw gerestaureerd dankzij de financiële steun van Bouwfonds Cultuurfonds en de inzet van Waterschap Vallei & Eem.

9. Beiaardschool (Nederlandse)

Beiaardschool (Nederlandse)

De Nederlandse Beiaardschool is gevestigd aan het Grote Spui 11. Begin jaren zeventig behoorde het bij de eerste panden die werden gerestaureerd door de Amersfoortse maatschappij tot stadsherstel. De beiaardschool is van oudsher gevestigd in Amersfoort en biedt een beiaardiersopleiding aan. De school maakt onderdeel uit van de Hogeschool voor de KUnsten Utrecht. Sinds de oprichting in 1953 hebben er meer dan 250 studenten gestudeerd. Bijna de helft daarvan kwam uit het buitenland.

10. Museum Flehite

Museum Flehite

In 1878 groeven enkele notabelen uit Amersfoort en omgeving prehistorische graven op op de Leusderhei. Al snel richtten ze de "Commissie tot wetenschappelijk onderzoek van de tumuli op de Leusderberg" op, waaruit de Oudheidkundige Vereniging Flehite voortkwam.

Flehite was een Middeleeuwse gouw (district) in het oostelijk deel van de provincie. De opgegraven objecten werden tentoongesteld: eerst in het stadhuis (1880) en daarna aan de Breestraat 78 (1889). In de loop der jaren bouwde de vereniging haar collectie uit met archeologische vondsten, kunstwerken en voorwerpen uit de 16de, 17de, 18de en 19de eeuw. De objecten werden opgegraven, aangekocht of geschonken. Het museum werd uitgebreid met Breestraat 80-82 en 76 en kreeg in 1899 zijn markante entree aan de Westsingel (architect: H. Kroes). In 1975 werd de Stichting Museum Flehite opgericht om de gebouwen en collectie te beheren. Vaste en tijdelijke exposities geven een beeld van de geschiedenis van de stad en omgeving. Na een asbestsanering en verbouwing opende het museum in 2009 met een geheel nieuwe opstelling.

Tegenover het museum bevindt zich de Mannenzaal, de laatst bewaard gebleven gasthuiszaal in Nederland (uit de 16de eeuw).

11. Sint-Aegtenkapel

Sint-Aegtenkapel

De Sint-Aegtenkapel is het enige restant van een katholiek vrouwenklooster dat hier vanaf 1399 heeft gestaan. Het klooster ontstond uit de Moderne Devotie, een hervormingsbeweging binnen de katholieke kerk.

Het klooster bezat een groot stuk grond van het Spui tot de Bloemendalsestraat. De kapel dateert uit circa 1410 en werd in 1463 tot dubbelkapel verbouwd. Voortaan zaten de kloosterlingen boven en de gewone burgers beneden tijdens de dienst. Waar de halve tussenverdieping heeft gezeten is nu nog te zien in de glas-in-loodvensters. Na de Reformatie in 1580 werd de uitoefening van de katholieke eredienst verboden (maar wel gedoogd) en mochten de kloosters geen nieuwe leden meer aannemen. In 1637 overleed de laatste non. De kapel kreeg verschillende functies. In 1622 vestigde zijdewever Henrick te Hert zich in de kapel. Amersfoort kende toen een bloeiende textielindustrie. Het spinnen en weven van de wol werd als huisnijverheid uitgevoerd; de bewerking tot laken en het verven gebeurde in de stad. Ruim een eeuw later gebruikte de familie Cohen de kapel als opslagplaats voor tabak, een andere belangrijke nijverheid in de stad.

12. Oud-Katholieke kerk Sint Joris op 't Zand

Oud-Katholieke kerk Sint Joris op 't Zand

Oud-katholieke kerk H. Georgius / Joris op 't Zand. Hier bevinden zich het Amersfoortse Mirakelboek, de restanten van het Mirakelbeeldje en het Paneel waarop het is afgebeeld.

Zie verder: http://amersfoort.okkn.nl.

 

13. Muurhuis 't Sluisje

Muurhuis 't Sluisje

Onder muurhuis 't Sluisje stroomt water van het Havik naar de Weverssingel. Oorspronkelijk was dit in de eerste stadsmuur een waterdoorgang, waarbij water van de binnenhaven het Havik in de stadsbuitengracht stroomde.

De waterdoorgang in de stadsmuur werd mogelijk afgesloten door een valhek en bewaakt door twee huizen, een situatie die vergelijkbaar is met die bij Huis Tinnenburg. 

Na de aanleg van de tweede stadsmuur hoefde de doorgang niet langer te worden bewaakt. Huis Prattenburg aan de linkerkant werd verbouwd tot woonhuis en de waterdoorgang werd overkluisd. Daarop verrees in de 16de eeuw Muurhuizen 199, Huis 't Sluisje. Nadat het in de 18de eeuw een tabakspakhuis was geweest, werd in 1776 in het pand een Musiecqzaal aangelegd, zoals boven de ingang is te lezen.

14. Kamperbinnenpoort

Kamperbinnenpoort

De Kamperbinnenpoort was een eenvoudige, rechthoekige poort in de eerste stadsmuur uit de tweede helft van de 13de eeuw. De oorspronkelijk naam was Viepoort of Martenspoort.

Buiten de stadsgracht stond een voorpoort, met twee smalle, achthoekige torens en een boog ertussen. Deze was met de hoofdpoort verbonden door een brug. De naam van de poort verwijst naar het 'vie' (vee), dat van stadsboerderijen door deze poort naar buiten de muren werd gebracht. Daar lagen weilanden die het bezit waren van de Utrechtse Sint Maartensabdij.

Met de aanleg van de tweede stadsmuur en de Kamperbuitenpoort in het begin 15de eeuw raakte de Viepoort zijn verdedigingsfunctie kwijt. In de eerste helft van de 16de eeuw werd de hoofdpoort grotendeels afgebroken en bleef alleen de voorpoort staan. De boog tussen de torens werd in 1827 gesloopt, maar in 1931-1933 opnieuw aangebracht.

15. Plompe- of Dieventoren

Plompe- of Dieventoren

Zware toren, deel uitmakend van de eerste ommuring, later de Muurhuizen. Gebruikt als gevangenis. In 1860 voorzien van een dakruiter en klokje afkomstig van het St. Agnietenklooster, het Latijntje genaamd. De klok slaat altijd later dan de andere klokken, anders zouden er ongelukken gebeuren, zo dacht men vroeger. Foto genomen vanaf de Zuidsingel, 2010.

16. Huis met de Paarse Ruiten

Huis met de Paarse Ruiten

Het Huis met de Paarse Ruiten dankt zijn naam aan het mangaan in het glas, dat paars verkleurt onder invloed van het licht. Het koopmanshuis is rond 1780 gebouwd voor Benjamin Cohen (1725-1800), bankier en bestuurder binnen de Joodse gemeenschap.

De prachtige interieurs hebben joodse elementen, zoals het kokertje voor de mezoeza in de deurpost (gebedsrolletje dat men aanraakt voor het naar binnen gaan). De wand- en deurversieringen zijn geïnspireerd op zijn interesse in wiskunde en zijn tabaksteelt en -handel. Cohen stelde zijn huis beschikbaar aan stadhouder Willem V en zijn vrouw tijdens de burgeroorlog tussen Patriotten en Prinsgezinden in 1787. Als dank kreeg hij een portret van de stadhouder en een dure japon van zijn vrouw (die werd vermaakt tot voorhang van de torakast in de synagoge). In 1843 kocht de Congregatie Onze Lieve Vrouw van Amersfoort het pand en vestigde er een meisjeskostschool. Kardinaal De Jong (1885-1955) sleet hier zijn laatste jaren. De kardinaal had zich in de Tweede Wereldoorlog verzet tegen de Duitse maatregelen tegen de joden en de persvrijheid. Zijn wapen is afgebeeld boven de ingang. Het gebouw is nu nog in gebruik als klooster.

17. Monnikendam

Monnikendam

De waterpoort Monnikendam werd omstreeks 1420 gebouwd als onderdeel van de tweede stadsmuur uit 1380-1451. De poort bestaat uit twee torens die zijn verbonden door een boog.

Bij de poort stroomt het water van de Heiligenbergerbeek de stad in. Behalve voor de verdediging, was Monnikendam ook van belang voor de waterhuishouding. Door het neerlaten van een waterschot kon men bij hoog water de poort afsluiten en het water buiten de stad houden. De poort is waarschijnlijk genoemd naar de Augustijner monniken die op de Sint Andrieskamp gevestigd waren. Toen omstreeks 1840 elders in de stad de oude stadsmuren werden afgebroken, werd de Monnikendam opgenomen in de aanleg van het nieuwe plantsoen naar ontwerp van tuinarchitect J.D. Zocher jr. Vanaf de poort had men een vrij uitzicht op het omringende platteland en het Bleekerseiland met zijn blekerijen.

Dit schone water uit de Gelderse Vallei legde de basis voor de vele bierbrouwerijen die Amersfoort sinds de Middeleeuwen tot in de 20ste eeuw rijk was.

18. Mariënhof en Burgerweeshuis

Mariënhof en Burgerweeshuis

Ondanks de sloop van enkele delen, is Mariënhof het best bewaarde klooster van de stad. Van 1479 tot 1547 woonden hier de Celzusteren van Sint Ursula. Maar de volgende bewoners gaven hun naam aan het gebouw: de kloosterlingen van Mariënhof uit de geplunderde Birkt.

Na de Reformatie stierf het klooster uit. In 1611 betrok het 'Arme Weeskijnderenhuijs' de kloostergebouwen. Dit weeshuis voor (protestantse) burgerwezen was rond Kerstmis 1550 door enkele Amersfoorters opgericht en gevestigd aan 't Zand. In Mariënhof werd een lint- en bombazijn-weverij (bombazijn is een stof van katoen en linnen) ondergebracht, zodat de wezen een ambacht leerden. De regentenkamer is nog altijd aanwezig. Het Burgerweeshuis fuseerde in 1804 met het Stadskinderhuis voor wezen en bleef tot begin jaren dertig van de 20ste eeuw in het klooster. Het Burgerweeshuis was voor wezen waarvan de ouders het burgerrecht van Amersfoort hadden. Na de Tweede Wereldoorlog werd Mariënhof een jeugdherberg (tot 1949), kantoor voor de ROB (tot 1988, nu RCE) en restaurant/Culinair Museum (2008). Sindsdien maakt het deel uit van Regardz als congrescentrum.

19. Huis Bollenburgh

Huis Bollenburg

De meest bekende Amersfoorter is ongetwijfeld Johan van Oldenbarnevelt. Hij was in 1547 geboren in de huidige Van Oldenbarneveltsteeg en woonde daarna in huis Bollenburgh. Na een snelle carrière werd Van Oldenbarnevelt in 1586 landsadvocaat, de belangrijkste adviseur van de Staten van Holland.

Hij erfde van zijn ouders landerijen rondom Amersfoort, waaronder de malenhoeve Groot-Emiclaer. Ook kocht hij gronden aan, zoals Stoutenburg dat ooit toebehoorde aan de heren van Amersfoort. Van Oldenbarnevelt wilde graag afstammen van dit oude geslacht en liet er een stamboom voor opstellen. Rond 1600 was Van Oldenbarnevelt de machtigste man in het land. Hij was de drijvende kracht achter de VOC en het 12-jarige bestand in de oorlog tegen Spanje. Maar hij had prins Maurits tegen zich. Naar aanleiding van de religieuze Bestandstwisten werd hij wegens hoogverraad gearresteerd en na een schijnproces ter dood veroordeeld. In 1619 beklom hij het schavot, steunend op zijn stokje. Dat stokje is nu te zien in Museum Flehite, al beweert het Rijksmuseum ook zijn stokje te bezitten.

20. Tinnenburg

Tinnenburg

Toen de stad na 1259 ommuurd werd, stroomde aan de oostzijde van de stad het water van de Heiligenbergerbeek de ommuurde stad in. Ter verdediging van deze waterdoorgang werd in de 14de-eeuw Huis Tinnenburg gebouwd.

Tinnenburg vormde samen met Huis Rommelenburg aan de overzijde van het water de waterpoort in de stadsmuur.  De doorsnede van die stadsmuur is in de zijgevel van muurhuis Tinnenburg  duidelijk te zien. De muur was circa zeven meter hoog en 60 cm dik en aan stadszijde voorzien van een weergang op bogen en met kantelen (tinnen). Direct buiten de muur lagen twee grachten. Na de aanleg van de tweede stadsmuur was de waterpoort bij Tinnenburg niet langer nodig en werd omstreeks 1450 afgebroken. Huis Tinnenburg werd verbouwd tot woonhuis en Rommelenburg verdween in 1848.

 

21. Synagoge

Synagoge

De synagoge bij het voormalige Juffersgat dateert uit 1727 en heeft een aslijn oostzuidoost, in de richting van Jeruzalem. Tot die tijd werden de religieuze bijeenkomsten bij joden thuis gehouden.

Sinds 1655 werden joden toegelaten in Amersfoort. Afkomstig uit Spanje en Portugal, en later ook Midden- en Oost-Europa, waren ze op de vlucht voor vervolging en oorlog. Zoals in veel andere steden hadden ze tot 1796 geen volledige burgerrechten. Er bestonden met name economische beperkingen, zoals de uitsluiting van gildes. De joodse gemeente diende zelf te zorgen voor voorzieningen als een synagoge, een schoollokaal of een begraafplaats. Joodse verenigingen regelden de liefdadigheid, de sociale zorg en het culturele leven. De synagoge is rond 1737 uitgebreid met een mikwe (ritueel bad). In 1842 werd de synagoge in 10 weken tijd flink vergroot en in 1927 werd het interieur vernieuwd en bracht de Haarlemse glazenier Herman Bogtman de gebrandschilderde Joodse symbolen in de glas-in-loodramen aan. In de Tweede wereldoorlog werd het gebouw geplunderd en onttakeld. Van het interieur is alleen de 19de-eeuwse Heilige Arke bewaard gebleven. In 1945 werd de synagoge weer in gebruik genomen. Vier jaar later werd met de restauratie begonnen.

22. Mondriaanhuis

Mondriaanhuis

Een van 's werelds beroemdste schilders kwam uit Amersfoort: Piet Mondriaan (1872-1944). Hij is geboren aan de Kortegracht 11, als zoon van de hoofdonderwijzer van de naastgelegen Christelijke Nationale school.

Mondriaans eerste werk was figuratief, maar werd steeds abstracter en geometrischer. Zeer vernieuwend waren zijn zuiver constructivistische schilderijen. Mondriaan was medeoprichter van tijdschrift De Stijl, waarin kunstenaars en architecten discussieerden over de rol van de kunst in de maatschappij. Hij heeft gewerkt en gewoond in Parijs vanaf 1912, met onderbrekingen o.a. door de oorlog die uitbrak terwijl hij in Nederlands Indië verbleef op dat moment. Mondriaan wordt beschouwd als een pionier van de abstracte kunst en zijn werk inspireert vele architecten en ontwerpers. Zijn geboortehuis is sinds 1989 een documentatiecentrum en van 2001 tot 2009 ook museum voor constructieve en concrete kunst. Op de benedenverdieping in het Mondriaanhuis wordt aandacht geschonken aan de persoon en kunstenaar Piet Mondriaan, zoals in De Wereld van Pieter Cornelis, een biografische tentoonstelling in het voormalig schoollokaal aan de Kortegracht. In De Schatkamer zijn in wisselende samenstelling vroege werken van Mondriaan te bezichtigen. Zijn Parijse Atelier aan de Rue du Départ 26 is op ware grootte gereconstrueerd en te bezoeken. Op de bovenverdiepingen komen in wisselende tentoonstellingen kunstenaars aan bod die in zijn lijn verder zijn gegaan.

23. Kapelhuis

Kapelhuis

Het Kapelhuis is rond 1500 gebouwd voor de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw. De Broederschap organiseerde onder meer erediensten in de Lieve-Vrouwekapel voor de vele pelgrims, die sinds de vondst van een miraculeus Mariabeeldje naar de stad kwamen.

Het Mariabeeldje was van Geertgen Arends uit Duist. In 1444 trad ze in in het Agnietenklooster. Ze had het beeldje meegenomen als geschenk, maar vond het te min en gooide het in de gracht bij de Kamperbuitenpoort. Kort daarna werd de Amersfoortse Margriet Albert Gijsen in haar slaap opgedragen om het Mariabeeldje uit de gracht te halen. Toen ze dat gedaan had, gebeurde al snel het eerste wonder: de kaarsen die bij het beeldje stonden, brandden niet op. Het Mariabeeldje werd in de Sint-Joostenkapel geplaatst. De vondst bracht een stroom pelgrims naar de stad. De kapel werd vergroot en voortaan Lieve-Vrouwekapel genoemd. In de kapel baden zieken voor genezing (vandaar de naam Krankeledenstraat). Bijzondere genezingen werden opgeschreven in het Mirakelboek. Iedere zondag voor Pinksteren werd het Mariabeeldje rondgedragen door de stad. En ter gelegenheid van deze optocht werd een jaarmarkt georganiseerd.

24. Onze-Lieve-Vrouwetoren

Onze-Lieve-Vrouwetoren

De Lieve-Vrouwekapel werd omstreeks 1460 gebouwd als bedevaartskerk voor het Mirakel van Amersfoort. De 12de-eeuwse kapel die er al stond, werd het koor van de nieuwe kerk. De toren, iets lager dan de Utrechtse Domtoren, stond apart en schuin ten opzicht van de kerk. Dit kwam doordat de toren op de fundamenten van de oude stadsmuur stond. De toren is symbolisch gebouwd; het trappentorentje staat voor het kindje Jezus, de toren voor Maria.

Na de Reformatie in 1579 kreeg het kerkgebouw andere functies, bijvoorbeeld die van munitieopslagplaats. Door een buskruitontploffing in 1787 stortte de kerk in, maar de toren bleef staan. Rond de kerk lag een begraafplaats, die tot ongeveer 1829 werd gebruikt. Tegenwoordig zijn de omtrekken van het kerkgebouw zichtbaar in de straatstenen van het Lieve-Vrouwekerkhof. Ook is te zien dat de Lieve-Vrouwetoren het kadastrale nulpunt van Nederland vormt sinds de oprichting van het Kadaster in 1832: de X- en Y-as zijn in de bestrating aangegeven. In de toren bevindt zich nog altijd het 17de-eeuwse Hemony-carillon met 35 klokken, dat recentelijk is uitgebreid tot precies 100 klokken.

25. Nulpunt Kadaster

Nulpunt Kadaster

Het midden van de Onze-Lieve-Vrouwetoren vormt sinds de 19de eeuw het 'middelpunt' van Nederland, zoals gebruikt door het Kadaster. In Nederland kan de ligging van een vast punt worden aangegeven door middel van coördinaten, de afstanden tot de Y-as (van noord naar zuid) en de X-as (van oost naar west). Vroeger sneden deze assen elkaar in Amersfoort, maar doordat na 1960 bij alle x-coördinaten 155 kilometer is opgeteld en bij alle y-coördinaten 463 kilometer, ligt het 0-punt van het assenstelsel nu in Frankrijk, ten zuidoosten van Parijs.

De keuze voor Amersfoort was historisch. Vroeger werd de omgeving namelijk in kaart gebracht door vanaf het hoogste punt in een stad (meestal de kerktoren) het omliggende land te tekenen, compleet met dorpen, steden, heuvels en kerken die tot aan de horizon te zien waren. Vervolgens werd deze tekening gecombineerd met de afbeeldingen die gemaakt waren vanaf de torens die erop te zien waren, om zo als het ware te komen tot een lappendeken van vogelvluchttekeningen. Amersfoort lag erg centraal en was in het bezit van een hoge toren, en werd zo het middelpunt van deze lappendeken.

26. Hof/Oude Stadhuis

Hof/Oude Stadhuis

In 1259 schonk de bisschop van Utrecht, Hendrik van Vianden, Amersfoort stadsrechten. De stad kreeg een eigen bestuur en bijzondere rechten en privileges, zoals het marktrecht, het tolrecht en het recht om verdedigingswerken aan te leggen.

Het belangrijkste was de eigen rechtspraak: burgers werden berecht door een rechtbank van 'gelijken' en niet langer door de landsheer. Het bestuur van de stad zetelde tot 1823 op de Hof. Het oudste gedeelte van het stadhuis was een vierkant, torenachtig gebouw uit circa 1300, waar een bordes en een galerij tegenaan zijn gezet. Vanaf de galerij werden aankondigingen gedaan en konden de bestuurders de terechtstellingen op de Hof bekijken. In 1536 werd het stadhuis uitgebreid met een schepenbank (gerechtsgebouw). Dit gebouw had een hoge gevel met walviskaak en werd Nieuw Schonevelt genoemd. Het stadhuis is in 1823 verkocht en kort daarna gesloopt omdat het in zo'n vervallen staat verkeerde. De straatnaam Achter het Oude Stadhuis herinnert nog aan het stadhuis.

27. Logement De Gaaper

Logement De Gaaper

Op de oudste foto van Amersfoort (1855) staat het oudste stenen huis van de stad: apotheek Kok aan Hof 39. Het diepe huis was rond 1225 gebouwd en na de stadsbrand van 1340 vergroot.

Halverwege de 15de eeuw werd het pand gesplitst in een woning aan de Langestraat en een aan de Hof. Deze laatste had aan de straatzijde een hoog vertrek (voorhuis) voor de uitoefening van een ambacht of handel. Erachter lag een woonkamer met een slaapkamer erboven. De kelder en verdiepingen dienden voor opslag van handelsgoederen. In 1822 kreeg het pand de bijzondere empire lijstgevel met Griekse decoraties. Kort daarna betrok Cornelis B. Kok het pand: hij woonde aan de chique Langestraat en had zijn apotheek, met de kenmerkende gaper, aan de Hof. Enkele generaties bleef de apotheek in de familie. De familie bouwde een grote verzameling kunst en antiek op, die tussen 1878 en 1905 aan de Oudheidkundige Vereniging Flehite geschonken is.

28. Opgraving, Hof 1991

Hof

Een grootscheepse opknapbeurt van het centrale stadplein de Hof - de plaats waar elke vrijdag en zaterdag markt is en waar ook in het verleden markt werd gehouden - vormde de aanleiding tot een opgraving. Uit het archeologisch onderzoek is gebleken, dat in de 12de eeuw over de Hof een 6 m brede en 2 m diepe gracht gelopen heeft, die in een flauwe gebogen lijn aan de zuidkant langs de Sint-Joriskerk loopt en de zuidgrens van de Bisschoppelijke Hof vormde. De enige bebouwing in deze tijd bestond uit een houten gebouw aan de oostzijde van de Hof, waarvan alleen paalsporen zijn teruggevonden. Het is wellicht een boerderij of schuur geweest, die in relatie stond tot de hofstede. De gracht was overigens niet het enige water op de Hof; aan de westzijde bevond zich (mogelijke) een insteekhaventje. In de 13e eeuw vonden grootscheepse veranderingen plaats: de gracht van de hofstede en de insteekhaven zijn (ge)dicht en de gebouwen in het zuidoosten afgebroken. Leemvloeren, een haardplaats en een waterput aan de westzijde zijn de restanten van de vroeg-13de-eeuwse bewoning, een houten huis dat rond 1300 vervangen werd door een bakstenen toren-achtige gebouw, dat we van schilderijen en prenten kennen en als het 'Oude Stadhuis' wordt aangeduid. De Hof werd geheel met een dik pakket grond opgehoogd en geëgaliseerd. Dit kan niet alleen worden gezien als beschermende maatregel tegen overstromingen, maar ook dat deze plaats zijn definitieve bestemming als markt kreeg. Aan de oostkant van de Hof is een eenvoudige drenkplaats aangelegd, ten behoeve van het vee, dat ter markt werd gevoerd. Enkele decennia later werd deze poel ommuurd, waarbij de oostzijde vrijbleef, zodat het vee de drenkplaats in kon lopen om te drinken. Rond 1375 raakte de drenkplaats buiten gebruik en diende korte tijd als vuilstort. De drenkplaats werd opgevuld met vuil dat van de markt afkomstig is. Daaronder bevinden zich opvallend veel drinkkannen en, tezamen met vele andere vondsten, lijkt het erop dat men de drenkplaats gedicht heeft, kort na het houden van een jaarmarkt. Nadat de drenkplaats haar functie verloor is direct, of kort daarna, een waterput enkele meters ten noordwesten daarvan aangelegd, vrijwel centraal op de Hof. De put werd gevoed door een wel; het bronwater borrelde tijdens de opgraving nog steeds door het zand omhoog, vijf meter onder het huidige straatniveau. Het grondplan heeft duidelijk gotische kenmerken en bestaat uit een cirkel, met een inwendige diameter van bijna drie meter. De put werd aan de buitenkant versterkt door vijf spitse steunberen.

29. Sint-Joriskerk

Sint-Joriskerk

Waar nu de Sint-Joriskerk staat, is in de 12de eeuw een bisschoppelijk hof gesticht. Bij dit hof hoorde een kapel, die waarschijnlijk gewijd was aan 'heilige Joris'.

In 1248 werd de kapel vervangen door een Romaanse zaalkerk, die later is verbouwd tot gotische kruiskerk. In 1337 werd de Sint-Joriskerk tot kapittelkerk verheven. Van het begin van de 15de eeuw tot 1534 werd de kerk uitgebreid tot een driebeukige hallenkerk, waarbij de (wacht)toren uit 1190 werd ingesloten. Sinds 1579 (met enkele onderbrekingen) is de Sint-Joriskerk in protestantse handen. De Middeleeuwse schilderingen werden overschilderd, maar zijn veertig jaar geleden gerestaureerd. Andere bijzonderheden in de kerk zijn een zeldzaam en rijk versierd oxaal (afsluiting tussen het koor en het middenschip) uit circa 1480, het schilderij 'Het Laatste Oordeel' van Jacob van Campen (1653), het grafteken van Jacob van Campen en een orgel uit 1845 gemaakt door C.F.A. Naber. Boven het gotische ingangsportaal bevindt zich de chirurgijnskamer, waar sinds de 17de eeuw het chirurgijnsgilde vergaderde.

In 2010-2011 werd de Sint-Joriskerk opnieuw gerestaureerd, onder meer doordat de historische eiken kapconstructies werden aangetast door de bonte knaagkever, waardoor kapverbindingen losraakten en de samenhang verloren dreigde te gaan. Bekijk voor meer informatie de video.

Op 8 december 2011, ter afsluiting van de restauratie, werd een borstbeeld van Jacob van Campen onthuld, gemaakt door beeldhouwer Ton Mooij. Zie ook 'Ingezonden'.

Open deze route binnen Amersfoort op de Kaart

Kaartgegevens ©2017 Google